"Vlucht in het verleden"

Auteur: Maria Cristina van Zeggelen

1952

Voorjaar 2014. Wilhemus Josephus (Wim) van Baalen. Te Loenen aan de Vecht.( ik ben de zoon van Jacominus Nicolaas van Baalen en Wilhelmina Josephina van Zeggelen, het nichtje van Maria Cristina van Zeggelen.) In een doos met wat papieren en oude foto's vond ik een eenvoudig DICTAAT met hand geschreven tekst van Tante Marie aan Ds. Mooij. In zeer dicht geschreven vast handschrift. Gedateerd 1952 Ik zal proberen de tekst te volgen en handhaaf haar schrijfwijze en de regels zoals zij die opschrijft. ( met hier en daar een opmerking terzijde, die zij maakt op de blanco linker pagina van haar schrift). De bladzijde aanduiding zijn de genummerde bladzijden in haar schrift.
Marie van Zeggelen, portret door Lizzy Ansing
Marie van Zeggelen, portret geschilderd door Lizzy Ansing

Tante Marie van Zeggelen.
Zij schrijft 9 maart 1952 op een zondagmorgen :

blz.1 Aan Ds. A de Mooij
"Vlucht in het verleden"
Als ik hier zit op mijn 81ste jaar klaar om over het verleden te schrijven, voel ik me bijna zoo plechtig als een bakvisch die haar "dagboek" begint.
Er is alleen het verschil dat die bakvisch naar de toekomst kijkt en de oude vrouw naar het verleden en er is ook dit verschil dat de eerste het aller gewichtigs vindt wat zij neer zal schrijven en de tweede overtuigd is van de onbelangrijkheid van dat wat hier zwart op wit zal komen te staan.
Maar Ds. Albert Mooij, aan wien ik deze bladzijden opdraag, zegt dat het niet belangrijk zal zijn omdat zooveel intressante mensen mijn levenspad kruisten. Hij heeft dit niet eenmaal gezegd, maar herhaaldelijk, jaren achtereen en zo ben ik dan eindelijk bezweken.
Memoires is een te weidse naam voor dit geschrift. Dat woord doet onthullingen veronderstellen van zielstoestanden, levensconflicten etc. etc. en zoover ik nu weet, zal ik die hierin niet geven.
Er zijn ondervindingen die men alleen voor zich zelven bewaart. De lessen die men daaruit trekt, kunnen, als ze goed begrepen zijn, tot een levenshouding

blz. 2 voeren, die verdere openbaarheid overbodig maakt.
En .... wil mij kennen, dan ben ik immers in al mijn boeken! Kruipen we niet in al onze personen? goede en slechte?
Is het van eenig belang hoe of een mens in het gewone leven eet en drinkt, verhuist, reist en alles doet wat tot de dagelijkse bezigheden behoort?
Ik ben niet zo ijdel om te geloven dat dit iemand intresseren kan, maar toch, zal dat gewone leven de basis moeten vormen van "de vlucht in het verleden". Die basis zal altijd "het huis" zijn.
Het huis waar dit of dat gebeurt, het huis waarin ik zeker boek schreef, het huis waarin de verschillende vrienden kwamen. Ik heb in vele huizen gewoond. Mijn leven is niet verlopen zooals ik me kind zijnde als ideaal voorstelden - in een zelfde huis blijven - jong zijn, oud worden, sterven!
Maar het lot heeft gewild dat het toneel om me heen ontelbare malen veranderde.
In zekere zin vergemakkelijkt dit de opsomming van gebeurtenissen. Ik heb maar te denken in welk huis zich het stuk verleden afspeelde of het juiste jaartal - soms zelfs de data, komen als duidelijke letters in mijn geheugen - te voorschijn. Als ik daar, als ware ik een vogel over het leven daar beneden heen strijk, zullen het hoofdzakelijk de huizen zijn, waar de vlucht een oogenblik op zal houden en waar ik mijn mijn eenvoudig misschien eentonig liedje zal zingen.
"Het liedje zoals ik gebekt ben" en meer verwacht men niet!

blz.3
Het geboortehuis. (noot: 10 maart)
Het was een groot huis. Mijn kinderoog heeft het zeker nog groter gemaakt dan het in werkelijkheid was, maar dat het een tamelijk groote plek besloeg, kan men nagaan als men een steegje in de Spuistraat, genaamd Haagpoort, doorloopt - tot aan wat nu heet: " Marktstraat" ( in dien tijd Voldersgracht).
Aan de Haagpoort nl. lagen huis,drukkerij v. Guinti d'Albani - en tuin - het front was in de Spuistraat. Twee ramen, breede groene voordeur en daarnaast nog een smal raam voor het z.g. "gaslantaarntje". Het zal dien naam gekregen hebben, omdat de gaskraan daar was.
Het was verboden terrein voor mij, daarom herinner ik het mij zo goed. Gas was toen een nieuwigheid en kinderen bracht men liever niet in de nabijheid.
De Spuistraat was toen in 1875 al een winkelstraat. Ons huis stond daar als eenling particulier huis tussen. Er was altijd drukte op straat, maar daar merkte wij niet veel van, want wij leefden meestal achter in de groote huiskamer die op den tuin uitkeek.
Marie van Zeggelen, circa 1880 door vermoedelijk Suze Robinson in de tuin van haar geboortehuis
Marie van Zeggelen, circa 1880 door vermoedelijk Suze Robinson in de tuin van haar geboortehuis

Mijn vader was compagnon in firma Guinti d'Albani. Hij was na zijn tweede huwelijk in het huis in de Spuistraat getrokken eerst bewoond door de oude Heer Albani, zijn schoonouders en is er tot zijn dood in 1879 in gebleven.

blz.4 Ik herinner me heel goed hoe hij 's middags langs het kantoor kwam - de handen op de rug. Ik liep hem dan tegemoet - soms wachtte ik al bij de deur der drukkerij, waar de lucht van teer en olie hing en ik het gezoem der persen hoorde. Ik mocht nooit verder dan het hokje van Bentsen ( noot: of Rentsen) - de stoker die tegelijk schoenmaker was, maar dat was niet erg, want Bentsen was als de meeste schoenmakers een philosoof. Hij kende vele verhalen en het wachten viel niet lang als hij aan het vertellen ging. Klop, klop - ging het op de schoen die op zijn schootsvel lagen onderwijl gaf hij zijn verhaal ten beste, totdat hij opzag en zeide " Daar komp je Pa” - en “daar is de Patroon! "
Dan stond mijn vader voor me en lachten z'n oogen mij toe achter het gouden brilletje.
Als ik aan mijn vader denk, die ik tot mijn 8ste jaar gekend heb, zie ik die lachende oogen - en de lichtinval in de brilleglazen en ik hoor nog zijn zachte stem, die een grapje zeide -
Mijn vader was altijd vol grapjes en ik altijd in afwachting van wat hij nu weer bedacht.
De drukkerij, die ook uitgeverij was, nam heel zijn tijd in beslag. Dr. K. de Jong heeft eens gezegd dat W.J. v. Zeggelen zijn gedichten 's nachts moet hebben gemaakt, omdat hij het overdag zo ontzettend druk had - maar ik geloof dat hij dat mis heeft. Mijn vader was geen man om 's nachts te werken. Daarvoor was hij
blz. 5 te rustig en het dichten ging hem zoo gemakkelijk af dat hij zich daarvoor niet aan zijn gezin behoefde te onttrekken.
Niemand heeft hem zo goed beschreven als Gerard Keller in het "Servetje" het nu nog bestaande sonperkje ( ???) na afloop van een lezing in het letterkundig Genootschap Oefening Kracht Kennis.
Sam van den Bergh, Van Stokkum, Scheltema en W.J. van Zeggelen waren de oprichters van dit Oefening Kracht Kennis. En in de tijd waarover Gerard Keller schrijft fungeerd de laatste als voorzitter. Hij ziet het bestuur en de werkende leden aan de gezelligen avondtafel vereenigd zitten en vergelijkt de karakters van de twee vrienden v d Bergh en van Zeggelen met elkaar.
Zij waren zeer verschillend - v d Bergh die " rusteloos het oog laat gaan over de tafel, ieder opwekkend tot spreken, die zelf met zijn scherpe stem " een vrij verwarde speech " afsteekt op den spreker van dien avond - een speech die echter door hartelijkheid goed maakt wat zij aan schoonheid mist. Van Zeggelen die naast den gehuldige van de avond zit " spreekt zacht met zijn buurman, Ds. L.v Beijen en slechts nu en dan, als hij door zijn bril even den blik opslaat, ontwaart men den schalkschen geest, die in dien blik en in zijn glimlach spreekt en beseft men dat die kleine, ingetogen man, meer in hoofd en hart draagt dan zoo talloos anderen, die door gelaat of gestalte de aandacht trekken"!
Nieuwe tekst toevoegen nr 2
Bescheiden, zacht, vol vroolijke levensmoed zoo was hij ook in den huiselijke kring, maar ondanks deze eigenschappen ging er een invloed van hem uit( misschien ook juist wel daardoor!) die zijn wil wet maakten.
(Een opmerking terzijde: De dood van een kind.)

blz.6 Mijn moeder was 23 jaar jonger dan hij. Zij vereerde hem alles in het huishouden was er op ingericht hem welgevallig te zijn. Wij waren toen ik een kind van 5-6 jaar was slechts met een klein huisgezin. Twee zoons uit het tweede huwelijk en ik uit het laatste 3de. Maar het was eens talrijk geweest. Mijn vader had groote verliezen geleden. Tweemaal was hij weduwnaar geworden en in den tijd van een tiental jaren had hij zes kinderen zien sterven. De dood van het laatste kind, een eigen broertje van mij heeft diepe indruk op mij gemaakt. Hij heette Hendrik. Henkie was verkouden en moest een drankje slikken, dat koste moeite want hij haatten drankjes. Een loge die wij “tante” noemden, maar het niet was, wist goed raad. Zij zou het hem ingieten en op mijn moeders schoot kreeg het het jongetje de medicijnen te slikken... Te stikken? Ik weet niet wat er gebeurd is! Maar het was verschrikkelijk. Henkie stierf in mijn moeders armen. Ik had nog geen begrip van dood zijn, maar ik weet wel , dat ik het uit schreeuwde, (Een opmerking terzijde: tenminste ik dacht het, misschien was het alleen van binnen)
, dat ik de wanhoop, de schrik mee voelden, dat ik ademloos, gespannen op mijn vader wachtten, ijlings uit het kantoor geroepen door de dienstboden, door het tuinpaadje naderde, als altijd met zijn handen op den rug.. en toen hij kwam, werd alles stil - de wanhopige vrouwen snikten allen en het was zelfs of dat kleine , doode Henkie verlost van de wereld, zijn gezichtje naar den hemel keerden.
(Een opmerking terzijde: Tante Mina)

blz.7 Het was niet alleen de wilde wanhoop over deze plotselinge dood die hij te bestrijden had maar ook de zeer begrijpelijke opstandigheid van mijn Moeder die zich tegen degeen keerden die, zij het ook onmoedwillig, het ongeluk veroorzaakt had. Vele jaren daarna is mij verteld hoe mijn vader voor de ongelukkige logee gepleit heeft en er mijn moeder toe gebracht heeft haar de hand te reiken en op den oude voet met haar om te gaan. Van zelf sprekend was ik niet tegenwoordig bij de zeker tragische scene die op dat ogenblik plaats had. Ik was dadelijk meegenomen ene kantoormeid Antje, die wel begreep dat een vierjarig kind niet bij al die droefheid macht zijn. Over “Tant-Logee zal ik het waarschijnlijk nog wel eens hebben in deze bladzijden. Zij is lang in mijn leven gebleven, hoewel zij er geen groote rol in speelden. Mijn moeder was altijd zenuwachtig en onrustig als zij er was. Dat merkte ik wel op, maar wat daar de diepere oorzaak van was , heb ik veel veel later uit haar mond vernomen. Tot lang na de dood van mijn lieve vader, heeft zij echter de traditie “ Tante Mina's dag “ vol gehouden.. Eens in de week kwam Tante Mina z.g. helpen met de groote wasch of een andere huiselijke bezigheid. Zij was wel 20 jaar ouder dan mijn moeder en had, zoals men zeide – ondervinding! Er was geen sprankje artisticiteit in haar en zoo al een antipode van mijn moeder; Het moet dus een ware opoffering voor deze zijn geweest. De vrouw altijd te blijven ontvangen die haar zooveel smart had aangedaan.

blz. 8. Maar mijn vader had het zo gewild. “Het is onze plicht haar te doen vergeten – wij moeten haar als vriendin houden; hoeveel het ons ook kost”. En die woorden bleven heilig voor haar, want zij vereerde hem. Geen wonder! Door zijn eenvoudige (nu sterk verouderde) verzen was hij bemind door de mensen, maar het meest was hij voor zijn gezin. Al was ik pas 8 jaar toen hij stierf, ik heb den tijd met hem goed in mijn hart bewaard. Hij was de zonneschijn in huis. Mijn gedachten gaan nu weer van zelf naar het huis terug, met zijn vele kamers. De achterkamer waar zich het blz 6 beschreven drama afspeelde was niet verbonden met den voorkamer. Tussen deze twee vertrekkenwas een gang “ trappenhuis en een groote kamer de suite genoemd. Zij kreeg haar licht door een breed venster boven de deur en had daardoor iets eigenaardigs dat andere kamers niet hadden. Ik heb aan dit vertrek bijzondere herinneringen. Hier hoorde ik de eerste bijbel verhalen, want te midden van de vele schilderijen,(werk van Bosboom, Schelfhout, v.d. Berg, Weissenbruch e.a.) hingen twee groote bijbelsche gravures. Ik denk dat deze platen de oorzaak waren, dat mijn moeder die verhalen vertelde,terwijl ze, zooals brave huisvrouwen in dien tijd deden, de stof afnamen, een bezigheid die soms uren in beslag namen, want het was een volle kamer. Er lag een dik Deventerstapijt van een warme naar rood zwemende kleur,
blz. 9. die zich door de gehele kamer verspreiden. Er stonden mahoniehouten stoelen en kastjes, een secretaire en canapé en dan was er de piano, waar mijn moeder na het stof afnemen altijd even op speelde en altijd, “t zij zonneschijn of regen was er dat kalme licht stralend uit het boven raam, dat op een plat uitkwam. Maar dat zag men natuurlijk niet. Alleen het licht was er. Neervallend over al die dingen en vooral belichtend de schilderijen, die de groote schatten waren van mijn vader. Hij was een liefhebbende verzamelaar. Er was bijna geen tentoonstelling of hij kocht iets. In die kamer leerde ik ook al vroeg de schilders kennen. Ik wist heel goed het verschil tussen een landschap van Bosboom en Weissenbruch – tussen Maria Vos en Lize Aantjes. Beiden stillevenschilderessen en ik herinner me nog hoe ik me schaamde en wel weg had willen kruipen omdat ik meegenomen naar een schilderijtentoonstelling, in mijn onnoozele vreugde uitriep “ O “ daar hangt een Weissenbruch !” en hoe ik toen een verbaasde blik opving van een vreemde meneer en een dame me lorgneerend zeide “ Nee maar zo'n kind!” Ik dacht dat ik iets heel onbeschaamds of geks gezegd had. Waarom keken al die mensen anders zo! Maar ik kreeg geen afkeurende blik van mijn moeder en onder het naar huis gaan geen reprimande zooals ik verwacht had. Wel bleef er vaag het gevoel hangen dat wat thuis kan gezegd worden, niet buiten bij vreemden was toegelaten, vooral thuis in de “suite”. De Suite was de plek van bezinning. Daar hoorde ik naar bijbelverhalen – die ik (opmerking links: Ruth.)
blz. 10. ademloos volgde, achter mijn moeder aan terwijl zij de stofdoek hanteerden. Van allen vond ik Ruth het mooist. “ Waar gij heengaat, zal ik heengaan. Uw volk is mijn volk en Uw God is mijn God”. Prachtig vond ik die woorden en de gravure boven de secretaire werd nog eens extra door mij bekeken – Daarna kwam nog iets heerlijks. Moeder had de piano geopend en de eerste tonen van Beethovens sonate klonken door de kamer. Dan ging ik stil zitten, vlak naast de piano. De tonen drongen in mijn oren. Nooit; misschien eens ( maar daar spreek ik later over) heb ik zoo van muziek genoten als in die dagen uit mijn kindertijd. En nooit, neen helaas nooit waren mijn moeder en ik zoo verbonden als toen – het leven heeft ons later op zware proeven gesteld. Maar als ik aan dien tijd in de suite dacht, dan werd het in mij alles goed. Iets ervan heb ik neergelegd in het boek ' Machteld ter Crone” – waar Louise luistert naar naar het pianospel van haar stiefmoeder. Maar mijn moeder was mijn eigen en toch.! De tweede gravure zal zeker wel het Jozef verhaal geweest zijn, want het ver-raad van de broeders die Jozef verkochten maakte ook diepen indruk op me. Ik herinner me echter de plaat zelf, heel vaag, maar zoo goed alsof ik haar stem hoorde staat de episode als de broeders bij de rijken Jozef komen en deze hen herkent, mij levendig voor den geest. (opmerking links: Jozef) (
blz. 11.) “ Als Jozef zijn broeders zag, zoo herkende hij ze, maar hij hield zich vreemd jegens hen”. Verschrikkelijk vond ik het altijd dat Jozef zich niet dadelijk kenbaar maakten en hij al zijn broeders zoo vreselijk op den proef stelde! En ik herademde als eindelijk het oogenblik kwam waarop hij zeide “ Ik ben Jozef Uw broeder!” Die tijd van de Bijbelsche verhalen en het pianospel in de Suite, ging vooraf aan een gebeurtenis die ik ook nooit zal vergeten. Van de kleuterschool ( waar ik op mijn dringend verzoek tussen de jongens een plaats had gekregen, daar ik groote angst voor “ meisjes” had) was ik naar de lagere school van Juffrouw Becht in de Raamhorststraat gegaan. Op een morgen 19 Februari, kwam als gewoonlijk Rika ons tweede meisje mij halen en toen wij op straat waren, vroeg ze of ik wel wist waarom de vlaggen uit gestoken waren? “ Omdat de Koningin jarig is!'. “ Ja maar ook omdat je een broertje gekregen hebt!” Een broertje ! De kleine Henkie zal zeker in mijn gedachten zijn gekomen. Hoe kon ik me nu met een ander vreemd broertje bemoeien? “ Ben je niet blij?” vroeg Rika. Ik wist het niet. Thuis hield me de baker het ingepakte kindje voor – een wit poppetje met grote bruine oogen – die op me neerzagen, want de Baker had hem hoog boven me getild. (opmerking: Constantijn) (Opmerking van Wim van Baalen: Mijn grootvader)

blz. 12 Constantijn was hij genoemd naar mijn moeder die Constance heetten. Dit hoofd moment, de ontmoeting met de bruine oogen ( Henkie had blauwe gehad) doet al het andere voor mij vervagen. Ik herinner me alleen dat de verhalen uit de bijbel niet meer plaats hadden, even als het luisteren naar de piano. Ik was dikwijls alleen in de Suite, tussen de schooluren en zonder door iemand opgemerkt te worden, zat ik daar gebogen over veel te wijze boeken, zelfs over Vondel`s Lucifer en Adam in Ballingschap. Lucifer! Die naam maakte indruk. Dat stond op de doosjes waar ik niet aan mocht komen! Lucifer! En ik las “ Ghij snelle geesten, houdt en staat met onze wagen. Al hoogh genoeg in top God`s morgenster gedragen; Al hoogh genoeg gevoert, is tijd dat Lucifer, Nu duicke voor de komst van deze dubble ster”. Maar al begreep ik de dieper zin niet, dat deze Lucifer iets anders en meer was dan de verboden houtjes in het doosje werd mij alras duidelijk en ik las verder en verder den hele verdere dag bleef het rythme in me door klinken. Vondel werd daarom een geheimzinnig machtig boek voor me. Het lag bij de andere prachtwerken in de voorkamer, als deel van de ster op op de ronde mahonie houten tafel, tussen albums van ten Kate, schetspaare en Nicolaas Beets, maar Vondel bleef mijn uitverkoren lectuur in een hoek van de Suite, liefst op de grond met het zachte vloerkleed onder me en een canapé kussen onder Vondel! Soms zat dan Fik erbij, de grijze poedel, die mijn gezelschap zocht als de baas er niet was. (opmerking: Fik en Theodoor)

blz. 13 De baas was The mijn groote broer, toen nog op schooljongen, maar een heel groote jongen dan in mijn oogen. Hij scheelde wel 10 jaren met mij, en tot het nieuwe broertje kwam had de belangstelling in het zusje zich niet anders geopenbaard dan in kleine plagerijtjes. Hij tekende een gezicht op zijn hand en verschrikte me daarmee aan tafel, zodat ik ongemotiveerd ( volgens anderen) tegen hem begon uit te varen, of hij zocht zonder om te zien de kleinste aardappel op zijn bord uit en legde die op het randje “ Zo klein ben je! En alweer was het gevolg dat ik er van mijn zijde hevig protest kwam en mijn vader me een vreemd kind vond – want de jongen deed me toch niets! Wie verstond ook de geheime taal die er tussen ons was? Ik ben er zelfs eens voor van tafel gestuurd en moest het etensuur in moeders atelier doorbrengen, dat aan de andere kant van de gang lag. Maar dat heb ik op zich zelf nooit erg gevonden. Een isolement was nooit een straf voor me, zelfs een donkere kast verschrok me niet. Ik weet wel dat ik soms ijverig mee hielp ruimte in een kast te maken als ik er in moest. De schemer in zoo`n kast die langzamerhand plaats maakte voor de duisternis vond ik altijd hoogst intressant en het atelier was allerminst afschrikwekkend. Ik hield van het hooge licht en de geur van terpentijn en zelfs een plaat, voorstellend een doodskop, die mijn
blz. 14 moeder noodig had bij het portretschilderen, gaf me geen angst. Zoo was een mens van binnen, dat wist ik immers. Maar mijn plaaggeest scheen deze laatste strafoefening, toch mijn partij te hebben gekozen en bekend te hebben wat de oorzaak van mijn heftig verweer. Hij verscheen althans niet meer met een leelijk gezicht op zijn hand, en mocht de demonstratie met de kleine aardappel weer eens plaats vinden, dan werd er een grapje van gemaakt, ook door mijn vader. In dien tijd – die ik in gedachten de Vondeltijd noem – was er een andere bezigheid die me na schooltijd dikwijls in beslag nam – Het poppen toneel –! Menigmaal hadden bij ons thuis de repetities plaats van een dilettanten gezelschap waarvoor Virginie la Caphelle ( Tante van den acteur la Chapelle) meestal de regie had en mijn moeder had er dikwijls rollen bij vervuld. Het laatste stuk dat er gespeeld werd heette “ Jonge harten” van Emants. Hoewel bij zulke gelegenheden altijd gezegd werd, dat “ het kleine kind maar naar bed was” schijn ik toch een paar maal, waarschijnlijk onopgemerkt, in een hoekje van de Suite het spel te hebben gevolgd. Het was een wonderlijk geluk voor me. Een openbaring, en de volgende dag speelden mijn poppen de “Jonge Harten” in de twee poppenkamers die boven op de kleedkamer van mijn moeder stonden `s morgens vroeg, voor het naar school gaan, maakte ik de mis-en scene reeds in orde en

blz. 15 stonden de actrices en de acteur ( want er was maar een meneer bij mijn troep!) gereed het spel te beginnen. De dames zaten of stonden meest in dramatische houdingen en de meneer trad binnen of deed iets anders dat in alle geval een serieus moment aankondigde. Mijn poppencomedie stond er veilig, dacht ik in de kleedkamer boven, waar alleen mijn moeder kwam. Niemand, behalve zij misschien, wist iets over mijn toneelcreaties. Ik denk dat mijn moeder er het zwijgen toe deed. Omdat mijn geliefd speelgoed over het geheel geen pop maar een paardje was, een paardje met roode teugels en koperen bellen langs de ooren en dat ik nog ruik als ik aan hem denk. Ik moest niets van poppen hebben die me met starre oogen aankeken, maar klein figuurtjes in de poppenkamer wekten mijn verbeelding, en ik vrees dat ik op school onder de les menigmaal aan de comedie gedacht heb. De inhoud van Jonge Harten herinner ik me niet meer, maar het zal wel een echte liefdeshistorie zijn geweest - waarin veel luiden uitbarstingen en knielende aanbidders voorkwamen – Emants die een moderne schrijver was, niet te na gesproken. Eens echter vond ik het gehele tableau de la troupe in de meest fantastische en vernederende houdingen toen ik van school komend naar boven ijlden. De dames stonden op hun hoofd em “ meneer” hing in de lamp. Ik behoefde

blz. 16 de schuldige niet ver te zoeken. Was hij heel gezond? Moeder had me geleerd: Jongens die niet plagen zij niet gezond. Die uitspraak in gedachtig ben ik later zeker aan zijn gezondheid gaan twijfelen, want vrij plotseling is het plagen opgehouden, wanneer en hoe herinner ik mij niet goed. Misschien heeft hij me veel alleen gezien, omdat het kleine broertje mijn moeders tijd geheel in beslag nam. Hij was het nakomertje, waarop mijn Vader gedicht had “ Ja Constantijn ge moest er zijn!” Ruim dertig jaar later zou hij met deze woorden ontvangen worden door Theodoor die toen in Arnhem woonde. Deze stond zijn gast op het station op te wachten en Constantijn begroette hem terug met de versregel uit een ander gedicht van mijn Vader ( doelend op Theodoor) “ Gij, blondje met uw lief gelaat!”. Terwijl ik dit schrijf, denk ik er aan dat ik eigenlijk het enige kind van mijn Vader ben geweest, waarop hij geen gedicht heeft gemaakt. Hoe is dit zoo gekomen? Mijn moeder heeft me verteld dat hij toch heel blij was bij mijn geboorte – een dochter – was hem lief hij had er ( zie opmerking linker blz) drie verlorenen ik kreeg dezelfde naam als de oudste. Maria, die op 21 jarige leeftijd gestorven was. Dat Maria was naar mijn tante – Maria Cristina Mastenbroek, die ik nooit gekend heb, maar van wie ik altijd zoveel gehoord heb, dat het me is alsof ik haar zeer nabij was. Ook zij was voor haar 30ste gestorven. Ze heeft twee romans geschreven.

( op linker blz( Maria,Suze, Anna,en Marietje ( de laatste mijn eigen zuster)
Suze moet zeer begaafd zijn geweest – een kind dat op haar 14 jarige leeftijd goed voordroeg en zong)

blz.17 “ Een Vrouwenleven” en “ Pegeuskroon” (?) In Vrouwenleven zit wat men noemt “sfeer“. Zij was de lievelingszuster van mijn moeder geweest en zeker was het moeders ideaal dat ik op zou groeien als Tante Marie. Maar ik denk dat ik die hoop dikwijls den bodem heb ingeslagen! Ach ik was zo heel anders. “ Soms een vreemd kind!” dit schijnt de uitspraak van mijn Vader geweest te zijn. Waarom hij er toe kwam, ook dat weet ik niet. Misschien deed ik altijd anders dan men van mij verwachtten? Niet met poppenspelen, geen vriendinnetjes willen hebben, en vooral niet jarig willen zijn – geen felicitaties –. Een verjaardag is door deze 'nukkigheid” zelfs geheel overgeslagen en ik heb me groot gehouden. Ik geloof dat het mijn zevende was. In “ van een klein meisje” heb ik van die dag uitvoerig verslag gegeven. Dus een vrucht, en les misschien? Heeft die negatie toch veel opgebracht!
Opmerking linker blz: Tante Marie Het drietal zusters – Fenna, Constance en Maria Mastenbroek heb ik later in 1923 gebracht in mijn “ De zoon des Huizes” Mijn moeder is daarin “Antje” en Tante Marie – “Cilia” – . Ook de illustraties daarvoor maakte ik zelf, op aandrang van mijn eerste uitgever. Graesbeek. (of Graasbeek red. ?). Het model voor de drie personen was Nikke Romer, die prachtig voor mij geposeerd heeft en die werkelijk wat Cilia betrof op de romansperzoon geleek, wier portret nog altijd in mijn nabijheid is Een intressant kopje met lange krullen, met zachte oogen maar een spottende mond.
“Van Klein Meisje” in Zellee`s (?) kinderbibliotheek, bij Masereuw en Boutens. Hierin komt de schilder Frans ter Meulen voor, want hij logeerde bij mij in Bodegraven.
( verder met blz 17) Ondanks deze “apartstelling” was er toch een hechte band tussen mijn vader en mij. Zou ik anders nu nog het groote geluk herinneren als ik aan zijn arm ging wandelen? Met Pa uit “heel alleen, met hem, dat was het toppunt van genot en daarvoor wilde ik graag, niet zoet zijn, want dat kon een eerlijk kind nooit beloven, maar wel mijn best doen zoet te zijn! Deze intieme uitgangetjes moeten in den tijd zijn voorgevallen dat kleine Constantijntje mijn moeders tijd in beslag nam. Een ervan herinner ik me nog heel goed.

blz. 18 Wij gingen met de “Gondel” naar Scheveningen. De “Gondel” voer af op de Koninginnegracht. Voor de paardentram kwam, was dat het vervoermiddel naar het Badhuis, het later “Kurhaus”. Die gondel was dien dag, vol met Scheveningers op hun paasbest. Het was waarschijnlijk een Zon of feestdag en mijn Vader heeft er allen geamuseerd, want ze schaterden het telkens uit en ik was er trots op, dat ik zulk een vader had die een heele schuit aan het lachen kon maken. Ik wist toen nog niet dat hij den “Volksdichter” was. Ja hij is in dien tijd mijn echte vriend geworden en ook mijn broer Theodoor kwam me nader, maar dat laatste had zijn oorzaak juist door een verwijdering. Na z'n schooltijd ging hij naar het buitenland en als hij in de vacantie terug kwam was hij een heel andere broer, die niet meer het poppentoneel in de war bracht, maar zelfs een prachtige keuken voor hen getimmerd had, en die tekeningen voor me maakte, altijd de zelfde,- hooiwagens met paard – waarvan ik het mooist vond – het slot die achter uit het hooi stak. De hond Fik werd in zijn afwezigheid aan mij toevertrouwd en hij hield me dan ook trouw gezelschap, zelfs bij mijn Vondellezingen, zoals ik h.b. reeds aanhaalde. Ik zal in dien tijd wel wat een eenzaam kind zijn geweest, maar ik heb daar nooit iets van gevoeld. In mijn geest is het een vruchtbare, gelukkige tijd geweest, hoewel van heel andere kleur dan de vroegere in de roode Suite wanneer ik naar de bijbelverhalen luisterde en naast de piano gezeten Beethoven`s Sonate hoorde.

blz. 19 Wat zal ik van Beethoven, wat zal ik van Vondel begrepen hebben? Precies zooveel als Fik ervan begreep, maar er is van beiden iets blijven hangen, iets dat me, mijn hele jeugd door verwijderd heeft gehouden van de z.g. kinder en meisjeslectuur. Sprookjes heb ik nooit gelezen, ook geen romannetjes Allest Duitse schrijvers. Het kan een hiaat zijn geweest in mijn opvoeding maar ik heb er nooit naar verlangd. De enige echte jeugdlectuur die me is bijgebleven was de gedichten van Anton Krop en die van Goeverneur. Die lieve Krop met zijn zachte oogen, die wel eens bij ons kwam en Goeverneur die iemand het geprezene kon zoo smakelijk en gezellig maakten! Als er sla op tafel kwam werd dadelijk gereciteerd. “ Wat een slaatje met een eitje. O daar houdt hij ( de vader) zooveel van. Day hij t U niet zeggen kan. En den zwaan in de vijver die zo statig aan komt drijven en het kind begroet met Goede morgen, lieve jongen. Komt ge daar weer aangesprongen. Waarlijk dat is lief van U. En vertel wat hebt ge nu? Maar hij word boos als een ander hem plaag Stoute jongen die ge zijt. Als ge weer met stenen smijt. Kom ik aanstonds aan de wal. Foei! Ik doe u niemandal!
Opmerking linker blz: Ik meen althans dat het zoiets was? Die dierbare boekjes van Goeverneur zijn niet meer te krijgen. In mijn boek “ Machteld ter Crone” wordt Goeverneur nader beschreven.
Opmerking linker blz: Simons v d Berg

blz. 20 Ik heb Goeverneur nooit in levend lijven ontmoet. Nu weet ik dat hij in dien tijd waarover ik spreek, tussen 1875 en 80 niet in Den Haag woonden, maar ergens in het Noorden, en de reis was zeker te ver en misschien te duur.
Opmerking Linker blz: Zie Fabian Bron in “ Machteld ter Crone”.
Goeverneur was iemand die dikwijls in geldnood zat. Hij in geldnood, de man die aan anderen, vooral kinderen zulken schatten gaf! Hoe onrechtvaardig is de wereld! Zijn naam en die van Anton de Krop is onverbrekelijk verbonden met de naam Simon v d Berg – Diepenheim, Prof Inbach, Arnold Ising, Eline van Calcar en... Mevrouw v d Chijs, de wereldreizigster.
Opmerking linker blz: niet te verwarren met Simon v d Bergh”.
Simon v d Berg was schilder en directeur van het Gem. Museum. Hij kwam alleen `s avonds en dit was aanleiding dat hij een tijd lang fungeerde als de boeman die kijken kwam of ik al naar bed was. Het moet wel een verschrikkelijk mens zijn die geen kinderen na 8 uur `s avonds wilden zien! Totdat … het kind op een avond niet met Antje de kamermeid ( de binnenmeid Margo zou het niet gedaan hebben) op een bel, de voordeur open deed en er een lange grijze heer, met een vervaarlijke sik binnentrad. Hij keek het kind met heel vriendelijke oogen aan en vroeg of dit nu Marietje was? Ja dat was Marietje en de grijze heer bleef vooral vriendelijk kijken, stak zijn hand niet uit om haar weg te jagen, vooruit naar je bed!

blz. 21. Opmerking linker blz: Dr. Lubach
Maar om haar hand in de zijne te nemen en met haar gevolg door Antje – de vestibule, de zijgang en de achtergang in te gaan, heel vertrouwelijk als of er geen vuiltje aan de lucht was, en dan de bij de tuinkamer, waar Antje de deur open zwaaide, alsof het de gewoonste zaak was – hier binnen te gaan, altijd met Marietje aan de hand , en toen zij werd niet naar bed gejaagd! Integendeel ze is langer opgebleven dan anders. Ze heeft op zijn knie gezeten en hij heeft voor haar getekend met potlood een landschap en een stal met een bok, en in dat eerste kunst genot werd zelfs het triomfantelijke gevoel vergeten van die blijde incorrectie! Simon v d berg werd de beste vriend van haar kindertijden in plaats van naar bed gestuurd te worden, mocht zij nog even opblijven want meneer v d Berg kwam! Vrienden die overdag kwamen waren Meneer Diepenheim en Prof Lubach. De laatste had altijd een groote reis achter de rug en verteld daarvan, terwijl z'n brilleglazen schitterden voor zijn vroolijke oogen. Hij noemde mij “ Brave Mies” `t geen me heel zonderling voor kwam. Want braaf was ik niet en Mies werd ik door niemand genoemd. Ik beschouwde echter die opvatting van de vriendelijke Professor als een aardige vergissing zijner zijds en zeker een stimulans om werkelijk braaf te zijn. Ik was tenminste altijd “stil zoet” als hij kwam en

blz. 22. opmerking linker blz: Heer Diepenheim.
volgde zijn reisverhaal zoo goed ik kon. Of hij werkelijk Professor was, weet ik niet zeker, hij was in elk geval Dr. Lubach, en het Professor paste goed op hem, hoewel het woord “deftig” dit niet was. Hij was joviaal en zeer levendig. De Heer Diepenheim was een heel andere man, die had wel een deftig uiterlijk en ik hoorde dat hij een hooge positie bij de Rekenkamer had gehad, wat een hooge positie was, zal ik wel niet begrepen hebben en de Rekenkamer vertegenwoordigde natuurlijk iets sombers en strengs voor me. Maar daar bleef niets van over als die zelfde deftige meneer, ook een met gouden en schitterende brilleglazen, me optilde en ik op zijn schouder of op een uitgestoken voet te paard door de kamer galoppeerde. Ik ben nog in het bezit van een portret van den Heer Diepenheim en zij vrouw, de laatste heel ouderwets met laag uitgesneden hals en witte berthe(?) en langs de slapen gladgestreken haar. Als ik er naar kijk, komt dit wild spelletje zoo ongewoon voor mij toen, maar zo heerlijk, me weer voor de geest! Arnold Ising en zijn vrouw! Weer heel andere mensen – een levendig – intelligent paar. Dat beiden zeer goed paste bij mijn vader en moeder. Ik herinner me niet dat zij bijzondere notitie van mij namen, maar ik heb hen des te beter in mijn geheugen gehouden en ik verheugde me altijd op hun bezoek. Dikwijls was dat in den avond en dus voor mij, maar gedeeltelijk mee te maken. Maar zij kwamen ook wel eens “eten”

blz. 23. Opmerking linker blz: Dr. Ising en Eline v. Calcar zie bijgevoegde documentatie)
en dan zat ik mee aan tafel met de groote mensen. Mevrouw Ising had korte krullen om het blozend gezicht en was vol jolige invallen. Zij heette evenals mijn moeder “Constance” en dat gaf mijn vader aanleiding over de twee Constances menig grapje te maken. Meneer Ising was ernstiger, maar een eerste verteller. Wat wist hij veel! Dat merkte ik toen al op en ik had nog niet eens zijn aardige pittige Haagsche schetsen gelezen; waar ik een 20 jaar later zoo van genoten en geleerd heb! De familie Ising zelf heb ik gepoogd te doen herleven in “ Machteld
Opmerking linker blz: Hij was der bronnen voor mijn boek “ Een hofdame uit de 18e eeuw” een deel der trilogie. Een Liefde in Kennemerland en Festijnen en Perikelen.
ter Crone” waar het letterkundig Genootschap “ Oefening Kracht Kennis” in voor-komt. Hun twee zoons Arnold, de latere acteur en Jan die professor is geworden, vertoonde zich ook wel af en toe bij ons, maar zij staan mij niet zoo levendig voor de geest als hun ouders, hoewel Jan Ising mijn ouders een schrik bezorgd heeft door mij als klein meisje uit de grap eens aan mijn hoofd op te tillen zoodat ik werkelijk een ogenblik “opgehangen” was. `S avonds kreeg ik pijn aan mijn hals, maar ik verzweeg het gebeurden, en eerst dagen later toen er al twee doktoren bij het geval waren gehaald ontglipte mij het geheim. De arme jongen werd toen streng door de ouders berispt en hij was zelf zoo overstuur van het geval: zeide te willen sterven als ik niet herstelde enz.:! Het is gelukkig niet noodig geweest en Jan is professor geworden!

blz. 24 Er waren in dien tijd (omstreeks 1877-78) veel vrouwenhoofden met krullen om mij heen en ik onderscheidde ze in vroolijke, ernstige en treurige krullen. Die van mevrouw Ising waren ontegenzeggelijk vroolijke, die van Elise van Calcar waren ernstige. Elise van Calcar was een
Opmerking linker blz: ook deze komt voor in “Machteld ter Crone”
groote vriendin van mij vader. In die jaren wijdde zij zich geheel aan het spiritisme naar de methode Fröbel, die zij in ons land gebracht had, bezielde haar ook nog tot groote werkzaamheid en mijn eerste kennismaking was dan ook op een privé fröbel les die ik als zesjarige van haar gehad heb. Het zijn er niet veel geweest, ik weet niet waarom zij zo kort geduurd hebben, maar haar persoonlijkheid maakte groote indruk op mij. Er ging vooral een groote rust vanuit. Het woord spiritisme was toen al niet vreemd. De dienstmeisjes onthulden me al gauw dat als mevrouw van Calcar kwam er beneden seances gehouden werden. Ze dachten me misschien daarmee bang te maken, maar ik beweerde wijs – dat er bij mevrouw v Calcar alleen maar goede geesten kwamen en geen spoken - waar zij zo bang voor waren! Toch was ik eens erg in mijn vertrouwen op de goede geesten geschokt. Toen ik moest ervaren dat aan een seance mijn geliefd speeldoosje waarop de wals van Faust stond, meegenomen was “ naar de zussen “ zeide mijn moeder, ik verdenk haar van een lichte spot! Als ik de zussen schrijven zag, dacht ik dikwijls aan mijn verloren speelgoed. Welk engeltje

blz.25 zou het nu opdraaien en zou Gounrad`s dan luisteren? Ik heb dit voorval nooit aan mevrouw v. Calcar toegeschreven, wat vreemd was. Mijn ontzag is altijd dezelfde gebleven, zelfs toen ik haar in vele jaren miet meer zag en eerst in mijn latere leven weder in contact kwam. Zij is me altijd “vriendinnetje” blijven noemen en voorspelden dat ik eens schrijven zou!
Opmerking Linker blz Tante Chris.
Prachtige krullen waren die van Tante Chris. Tragische krullen om een fijn bleek gezicht met vermoeide oogen. Zij was de vrouw van een gestorven broer van mijn vader en de moeder van een zoon, die het zwarte schaap in onze familie werd genoemd. Hij stelde zich bij anderen voor als “ de oudste v. Zeggelen” en inderdaad was hij van de jongste generatie de oudste. Ik wil geen kwaad van hem spreken. Ik mag ook niet over hem oordelen. Maar de tragische figuur van die moeder die altijd bij mijn vader voor die zoon kwam pleiten is mij altijd bij gebleven. Ze woonden dicht bij ons in de Spuistraat op een bovenhuis waarvan ze kamers verhuurden. In een klein hoog kamertje zaten zij en haar zusters en naaiden de Enkhuizer Almanak in elkaar. Twee gebogen vrouwenfiguren over een tafel bezaaid met papieren. Een paar jaar voor dood had mijn grootmoeder, Mevrouw Mastenbroek, kamers bij tante Chris betrokken, een reden voor mij daar dikwijls heen te gaan, want “Grootmoe”
opmerking Linker bladzijde Grootmoeder Mastenbroek

blz.26 was een sterk aantrekkingspunt voor mij en ik was haar lieveling. Nooit is een kind erger verwend geworden dan ik door die grootmoeder! De verwachting was van beide kanten even groot. In mijn kinderbrein gloeide de vraag “wat zal het nu weer zijn?” Welke wens zou vervuld worden? Ik vergeet nooit het oogenblik waarop in de verte de roep van de koopman klonk die beschilderde houten batjes verkocht! Zulke prachtige batjes in rood en groen en geel – en toen de tik van grootmoeder tegen het raam. Werkelijk de man keek naar boven. Hij hield een bat op en ik, met grootmoeders arm om me heen, mocht kiezen! Kiezen uit al die pracht! Een oogenblik daarna was het kleurige voorwerp in mijn handen. Een vurige langgekoesterde wens was vervuld en dan de donkere, heel donkere oogen van Grootmoe die me lachend aanzagen. Haar wens weer vervuld. O hoe konden die oogen lachen, alleen voor mij! Ik kenden mensen die bang voor die donkere oogen waren, maar ik wist hoe ze lachen konden. Er was eens iets gebeurd in mijn kleine kindertijd, iets wat ik nooit vergeten heb en dat zeker die band tussen haar en mij versterkt heeft. Er waren logés en het plan was een tocht te maken naar het Badhuis te Scheveningen. Ik mocht mee, maar op het laatste oogenblik was ik stout en mocht niet mee. Wat ik gedaan had kan ik me niet herinneren, maar Grootmoeder die ook van de partij zou zijn, trad naar voren als een

blz. 27 godin der wrake voor mij op. “Als `t kind niet mee mocht, zou zij ook thuis blijven”. Hevig protest van de anderen, maar ze liet niet af en zoo vertrok het gezelschap , wie met, ondanks grootmoeders weigering, weltevreden dat er geen lastig kind medeging. Nauwelijks was men vertrokken of Grootma en Antje de geliefde keukenmeid zetten me op de tafel en maakten mijn toilet. De beste jurk werd aangetrokken en een oogenblik daarna vertrok ik aan Grootmoeders hand met het zelfde doel: het Badhuis te Scheveningen. Er was alleen dit onderscheid. Het gezelschap bereikte dit per gondel, Grootmoeder en ik door het moderne voertuig, de paardentram. Bijgevolg waren wij eerder in `t Badhuis, waar Grootmoeder me weer triomfantelijk op een tafeltje plaatste, zoodat ik dadelijk te zien zou zijn als het gezelschap de hoek omsloeg van het aan de boulevard of strand gelegen Badhuis. Nog voel ik dat oogenblik van triomf en van... gewetenswroeging, want hoe klein ik ook was, ik begreep heel goed dat hier iets gebeurden dat niet verantwoord was! Hoe mijn ouders het opvatten weet ik niet, wat daarna gebeurde, het is me allemaal ontgaan. Ik weet alleen dat wij bleven en dat er voor dat oogenblik af tussen mijn Grootmoeder en mij een verstandhouding is ontstaan die nooit verbroken is, ja zelfs is herleefd in mijn eerste romans waar zij is Cecile van Rodenbergen. Pedagooge was zij zeker niet, maar

blz. 28 zij kon geen onrechtvaardigheid verdragen en zeker vond zij de straf te erg voor een vergrijp waar ik me niets van herinner. Deze grootmoeder droeg geen krullen, maar grijs haar ging schuil onder een zwart kanten muts zooals toen de mode was voor oudere dames. Zij was een kleine elegante vrouw en droeg veel zwarte zijde. Ik zie haar des zondags nog bij ons binnen komen met het kerkboekje goud op snee in de handen, in haar wijde zijde japon. “ Ben je klaar Constance?” vroeg ze dan en zij gingen samen ter kerk. Na haar dood, toen ik grooter was heeft mijn moeder mij veel van haar verteld. Zij een notaris dochter ( Hage Kegstraat.) en had het ongeluk te verlieven op een apothekerszoon. Dit was in des notaris oogen een missaliance! Hij schaakte haar en liet zijn bruid bij een oude eenvoudige tante, die het meisje bij zich hield tot de ouders hun toestemming gegeven hadden. Alles in eer en deugd dus! Deze romantische geschiedenis heeft “`t kind” haar kleinkind uitgewerkt met andere toestanden en namen, in de “Vrede van het Maerland”. Haar portretje een mooi geschilderd miniatuur als bruid is in mijn bezit en ook dat van de tante (tante Renna) die mede hielp aan de romantische geschiedenis. Zij kregen drie dochters- Fenna, Constance en Maria, die zooals het verhaal gaat een
opmerkingen linkerbladzijde: Maria Mastenbroek Fenna was de naamgenoot van Fenna Mastenbroek- een tante van mijn grootmoeder deze was schrijfster - dus het kan zijn dat dit talent erfelijk was de lijn Mastenbroek - Fenna de Meijer heet ook Fenna en was gelieerd met de familie Kitrings Coulon, die geparenteerd was aan de Mastenbroeks.

blz. 29 heerlijke jeugd hadden, want Grootmoeder liet hen genieten zoveel zij kon. Zij was eigenlijk haar tijd ver vooruit. Als de kinderen een talent hebben dan moet dat in de eerste plaats ontwikkeld worden. En zo mochten zij haar tijd wijden, Constance aan de schilderkunst, Maria aan de literatuur! Fenna de oudste, een schoonheid was jong getrouwd – Wie iets van hun karakters wil weten, leze mijn (weinig bekende!) roman De zoon des Huizes – Antje en Cilia zijn Constance en Maria. De apotheek te Amsterdam op het Singel schijnt gebloeid te hebben. Want behalve dat mooie huis met trapjesgevel (het bestaat nog) was er ook een lief klein buitenhuis te Haarlem genaamd “ Klein Genoegen” op de kleine Houtweg. Mijn moeder schilderde het en het is nu in mijn bezit. Maria is voor haar 30ste jaar gestorven. Ik heb haar nooit gekend, maar draag haar naam, Maria Christina en … wie weet erfde ik van haar de zin om te schrijven, want van haar hand zijn twee romans. Een Vrouwenleven en Tegenstroom. Zij was de oogappel van mij moeder die zes jaar ouder was. Maar die haar in alles navolgde alsof zij, Constance, de jongste was. Zij had zeker dat wilskrachtige van mijn Grootmoeder – en had dezelfde donkere oogen maar heel zacht en teder. Haar portretje met lange krullen langs de slapen hangt naast mijn schrijftafel.

blz. 30 Iemand die veel bij ons kwam en mij altijd schrik aanjoeg was Johannes Verhulst. Hij had iets van een leeuw, was groot en forsch en sprak heftig, soms met de vuist op tafel. Later heb ik gelezen welk een strijd hij had met de moderne muziek van dien tijd. Hij weigerde Diepenbrock te spelen en zag Felix Meritis liever afbranden “ dan dat hij iets anders dan Beethoven en Hayden voor het publiek zou brengen. Waarschijnlijk heb ik hem altijd in die zelf geschapen staat van opwinding over muziek gezien. Hij was een groot contrast met de bescheiden rustige figuur van mijn vader, voor wien hij zeker toch een gevoel van verering had. Het kleinE potje met groote ooren vernam dat het thuis bij hem niet plezierig was, door zijn zoon die altijd twist met den vader had en ik dacht dat het heel natuurlijk was als Pa altijd zo te keer ging! Verhulst was een groot componist en hoe genoot ik van zijn prachtige kinderliedjes! “ Kwaad is kwaad en goed is goed” en Vlindertjes – Spinnen kopjes. Ze zijn nergens meer te krijgen deze juwelen.
Hier stopt haar schrijverij,terwijl er nog een aantal lege bladzijde in het dictaat zitten!
In het schrift zit een krantenfoto van Prinse Irene met “wordt morgen zestien jaar”. Het knipsel is van 1954.
Op de linker bladzijde schrijft zij in blauwe inkt een Franse tekstwelke ik weergeef voor zover ik hem kan lezen:
(1954 copy uit Cecile van B.Constance
Vous reponser nier, gu il n`y ait hors de vous – une puissance plus forte que vous meme. Eh bien! Je vous dis que le seul moyens de bonheursur cette terre est di te mettre en harmonie avec cette puissance , il ne font que dente choses: prier et renoveau a sa propra volonte. Conment prier, nos objecterez – vous, quand on ne crest pas? Je ne puis vous fuire qu une response essayaaer et vous verrez, demonde et vous obtiendra. Mais ce n`est pas en demondent des chores detreminnies que vos serez nance; c`est en demondent de vonloir ce qeniest. Le chongement ne fera pas sur les curlonstanes entericals, mais sur la disporti. Sione de votre ane. Et qua vous importe? n`est il pas egal qu`il arrive u que vous voulez, on qu vous voulier ce qui arrive. Ce qu`il vous fout, c`est que votre volonte et les evenements Sorint d`accort.)